|
Staakmolen: eenvoud en kracht
Dat kruisvaarders de verticale windmolen meebrachten uit het Oosten
is een historische mythe. Meer zelfs, de oudst bekende vermeldingen
en afbeeldingen lijken erop te wijzen dat het model van Vlaamse
oorsprong is. Alleszins zeker: rond 1200 duikt de staakmolen op
in onze gewesten. De ingenieuze en sierlijke staakmolen wordt algauw
het meest verspreide molentype.
Het principe van een staakmolen is eenvoudig, de constructie een
gedurfd en zorgvuldig berekend evenwicht van krachten. De staak
of standaard is de centrale, verticale spil waarrond de hele molen
360° kan draaien. Zo worden de wieken naar de wind gezet. In molenaarstermen:
kruien.
Meer in detail: de molenkast is opgebouwd aan de dwarse, horizontale
steenbalk. Die ligt en draait op de staak. Molenkast en staak (samen
dertig ton) worden overeind gehouden in de molenvoet. De staak zelf
steunt niet op de grond! Acht schuine steekbanden brengen de last
over op horizontale kruisplaten die tegelijk de staak loodrecht
verankeren. De kruisplaten rusten op vier gemetselde blokken: de
teerlingen.
Het kruien doet de molenaar met de windas of haspel onderaan de
trap, die hangt aan de staartbalk van de molen. Eenmaal naar de
goede windrichting gedraaid, kan de molenaar de wieken opzeilen
naargelang de windkracht.
De witte teerlingen uit de regionale zandsteen, het tweedelig mansardedak
en de bekleding van dak en wiekenzijde geven aan de staakmolen van
Lombeek zijn eigen, prachtig gelaat.
|